Oorsprong
Zo lang als ik mij kan herinneren schreef ik gedichten en verhalen. Zodra ik een pen kon vasthouden, krabbelde ik woorden op ieder stukje papier dat ik vond. Ik bewaarde ook ieder notitieboekje of wat er van over was met het idee dat het ooit beschreven zou kunnen worden. Mijn bureaulaatjes op school waren net zo rommelig als mijn handschrift en als je er diep in graaide, vond je er verfrommelde papiertjes met gedachten en gedichten.
Poëzie was voor mij de ideale vorm, omdat daarin alles dat er niet mocht zijn, toch gezegd kon worden tussen de regels door. Mijn hele schrijfleven kenmerkt zich dan ook door de zoektocht tussen wel en niet zeggen en het doorbreken van zelfcensuur.
Als kind sliep ik op de zolderkamer. Iemand anders vond dat eng. Of ik dat eng vond weet ik niet, maar ik weet wel dat ik zelden sliep. Ik weet nog hoe het hout rook in de dakkapel en hoe koud het aluminium van de raamkozijnen voelde. Ik hoor nog hoe de wind het hout deed kraken en ik hoor nog de vliegtuigen. Het grondgeluid, het opstijgen, het overvliegen, het verdwijnen in de verte, waar ik óók heen wilde.
Ik volgde de vliegtuigen. Eerst alleen met mijn oren. Dan kroop ik uit bed, klom op de vensterbank en opende het raam en volgde ze met mijn ogen. Ik wilde astronaut worden en op de maan lopen, ik wilde ontdekkingsreiziger worden en de wereldzeeën bevaren (zonder slavernij en kolonialisme dan), ik wilde reisjournalist worden of humanitair hulpverlener. Als het me maar ver weg zou brengen. De strepen en kleuren aan de horizon beloofden me van alles.
Ik wilde ook schrijver worden. Ik zag een Annie M.G. Schmidt voor me. Ik was dol op Otje en Abeltje, maar niemand raakte me zo als de Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Dat jongetje op zijn planeet met zijn roos en zijn vulkaan en al die zonsondergangen. Met niemand was ik zo verbonden als met dat jongetje; altijd alleen met zijn zonsondergangen.
Het uitzicht vanuit de dakkapel was dan ook mijn eerste onderwerp; krentenboompjes, vlinderstruiken, gouden regens en katten die op de daken van tuinhuisjes hetzelfde deden als ik; observeren en filosoferen. Ik sloot het liefst de gordijnen terwijl ik op de vensterbank zat te schrijven. Dan was ik alleen met mijn raam naar buiten. Het raam naar ver weg. Naar weg.

